Jessica J.J. Lutz
Jessica J.J. Lutz

News

My Dutch novel 'De Nederlandse Bruid' (A Bride from Holland) came out in November 2014 and sold out within two months. 

De strop rond de nek van JP wordt steeds strakker aangehaald, het knagen van zijn geweten is oorverdovend; het voelt levensecht. Een sterk psychologisch thrillerdebuut met een verrassend einde.
Ineke Berkhout in HDC

 

Het onderliggend thema van Happy Hour is de strijd tegen kinderprostitutie. Happy Hour wordt verteld vanuit het perspectief van Jean-Pierre, Bredanaar, 40 en ambtenaar op het ministerie van Justitie. Vroeg in het boek begaat Jean-Pierre, gedreven door een verlies dat hij niet kan verwerken, een misstap. Die wil hij vervolgens ongedaan maken. Daarbij kronkelt hij van de ellende die hij over zichzelf afroept. In het boek verkent Lutz de grenzen van wat toelaatbaar is in seks. Ze kruipt in het hoofd van de mannelijke hoofdpersoon en spit daar naar wat een man beweegt om die grenzen te overschrijden.


Een fragment

Met een zwierig gebaar trok Jean-Pierre de onderste lade van zijn bureau open. Hij haalde het overhemd eruit dat hij speciaal voor deze dagen daar bewaarde _keurig gestreken, dank je Edith_ stond op en liep zijn werkkamer uit naar het herentoilet op de gang. In de beslotenheid van het kleinste kamertje ging hij wijdbeens voor de spiegel staan alvorens hij zijn stropdas van zijn adamsappel trok en de knoopjes losmaakte van het hemd dat hij aan had.

Terwijl hij de kraan opendraaide en zich over de wasbak boog om zijn oksels te wassen keek hij zichzelf glimlachend aan in de spiegel. Oeps. Restje van de middagboterham tussen de voortanden. Met de nagel van zijn pink peuterde hij het ertussen uit. Hij kamde zijn haar _liever had hij het over zijn manen_ met de grove kam die hij ook in zijn bureaula bewaarde, streek zijn snor glad en begon zachtjes te neuriën toen hij het schone overhemd over zijn buik dichtknoopte. Een seconde rustten zijn handen op de ronding. Iets te dik. Veertig.

Het was vrijdagmiddag, zíjn vrijdagmiddag, vijf uur. Alleen op deze ene dag in de maand stond hij op stiptheid. Geen minuut te lang zou hij vandaag op zijn werk blijven.

Terug op zijn kamer legde hij zijn vuile overhemd in de lade. Dat kon maandag mee naar huis, vanavond geen geur van kantoorzweet om hem heen. Hij vouwde kalm het dossier op zijn bureau dicht. Niemand zou aan hem zien dat zijn bloed tintelde.

Edith wist dat hij vanavond laat thuis zou komen. Ze zou wakker blijven tot hij er was, maar geen vragen stellen. Aangezien hij nooit antwoord gaf, was ze daarmee opgehouden. Soms vertelde zij over het bezoek aan een vriendin dat zij op zo'n avond aflegde. Dan luisterde hij stilzwijgend. Een enkele keer bracht hij het op belangstellend te knikken, maar meestal zweefde hij weg op de herinnering aan zijn eigen avond.

Zachtjes sloot hij de deur van zijn werkkamer achter zich. Terwijl hij zijn jas dichtknoopte, liep hij nauwelijks hoorbaar langs half-openstaande en dichte deuren. Daarachter wist nog enkele fanatiekelingen gezeten, kromgebogen werkezels die de abstracte dossiers niet los konden laten. Op andere dagen was hij zelf ook zo. Dat moest er de reden van zijn dat hij zich op deze middag van de maand telkens weer een beetje nerveus voelde, alsof hij erop aangesproken zou worden dat hij zich onttrok aan het collectieve zwoegen. Zijn opstaande nekhaartjes, de lichte kramp in zijn sluitspier iriteerden hem, maar hij kon er niets aan doen. Snel keek hij achterom, de _gelukkig lege_ gang in. Het was uit macht der gewoonte, niet omdat hij kon vermoeden wat hem die avond te wachten stond.

Buiten het ministerie, om de hoek, ontspande hij zijn schouders en kreeg zijn tred meer vering.

***

 

Warmte, sigarettenrook en de geur van bier kwamen hem tegemoet toen hij de deur opendeed van Café de Sluier. Boven de deur hing een uithangbord met een dame in pofbroek. Haar gezicht was slechts vaag zichtbaar door een half transparante doek. Het wekte een misleidende indruk _wat verwacht je anders van een gesluierde dame_ want er was niets oosters aan de kroeg, tenzij je de donkerrode geknoopte kleedjes op de tafels en de kitscherige kop van een Turk met bolle wangen en een gele tulband naast de tap zo zou willen noemen. De eigenaar was, voor hij trouwde met Marie en tot haar grote verdriet al snel overleed, ooit op vakantie in Egypte geweest en had de exotische dames in de nachtclubs en hun vederzachte kietelingen niet kunnen vergeten. Zijn passie voor het oosten was bij de naam van zijn café gebleven, dat Marie van hem erfde.

Jean-Pierre hing zijn overjas aan de kapstok. Happy hour was net begonnen. De ruimte zat al behoorlijk vol. Verheugd zag hij drie bekende gezichten. De mannen zagen hem ook en wenkten. Hij schoof bij hun tafeltje aan.

"Charles, Peter, Chris… alles kits?"

Zonder op een antwoord te wachten zwaaide hij naar de vrouw achter de tap met de jongensachtige grijns die hij voor vrouwen was gaan gebruiken sinds een van hen gezegd had dat ze hem onweerstaanbaar vond als hij zo keek.

"Marie, geef ons een rondje, lekkere meid!"

Marie stak haar duim omhoog ten teken dat ze hem gehoord had. Even later verscheen ze met vier biertjes en een schaaltje worst. Ze slaakte een koket gilletje toen Jean-Pierre zijn hand neer liet komen op haar mollige achterwerk. Zijn vrienden lachten. Hij voelde hoe haar billen stevig bijeengehouden werden door haar corset. Af en toe fantaseerde hij dat hij één voor één de haakjes los zou maken. Stukje bij beetje zou haar witte vlees uitdijen, opbollend uit die elastische koker die onder zijn handen steeds verder open zou scheuren. Marie had een mooi gezicht, met rode lippen die vroegen om gekust te worden. Verder dan dat was hij nooit gegaan. Zijn vrijpostigheid had hem een oorvijg opgeleverd.

Marie nam zijn hand van haar bil, lachte klokkend en gaf hem een tik op zijn pols.

"Handen thuis, Romeo!"

Hij baadde zich in haar goedluimsheid, en in het gegrinnik van zijn drie tafelgenoten. Ze hieven hun glas en dronken hem toe. Buiten schemerde het, maar hier gloeiden de lampen en het chroom van de tapinstallatie behaaglijk. Het geklik van de ballen op de biljarttafel en het geroezemoes van stemmen dat aanzwol naarmate er meer gasten binnen kwamen, stelden hem gerust. Hij kon zich nooit precies herinneren hoe deze uren verstreken, of waar hij over gesproken had. Voetbal, af en toe politiek, ze tapten moppen die hij meteen weer vergat. In het gezelschap van zijn vrienden voelde hij de vonken van zich afspatten. Hij streek tevreden over zijn snor.

"Marie, nog een rondje!"

Vrienden ja, zo noemde hij deze mannen, ook al wist hij niet veel van hun levens en zagen ze elkaar alleen hier in de Sluier. Charles, een garagehouder van 52 met wie hij zes jaar geleden aan de praat was geraakt, kende hij het beste. Hij maakte al lang zijn handen niet meer vuil, maar had een paar man in dienst. Zijn kinderen waren het huis al uit. Af en toe was Jean-Pierre jaloers op hem, een man met een eigen zaak. Hij wilde dan dat hij niet naar zijn ouders geluisterd had, maar zijn hart gevolgd had. Zo'n afgunstige vlaag duurde meestal niet lang, daar bewonderde hij Charles te zeer voor. Chris was 46 en boekhouder. Slimme vent, maar zijn werk leverde niet veel gespreksstof op, behalve een sporadische tip over belastingaftrek. Peter, 42, was fotograaf bij een portretstudio en net gescheiden. Zo'n onderwerp mijdde Jean-Pierre het liefst. Vrienden waren voor hem degenen met wie je plezier maakt. Serieuze zaken, zo hij daar al over wilde praten, besprak hij wel met Edith.

"Marie!"

Hij wilde het zijn vrienden zo graag naar de zin maken dat hij ze nauwelijks een kans gaf om ook eens een rondje te bestellen. Het was bijna een erekwestie voor hem om thuis te komen met een aanzienlijk dunnere portemonee. Want vanavond hoefde hij niet te denken aan de minimale verschillen op het gebied van uitzendwerk die hij bestudeerde in de wetgevingen van Europese landen, om maar eens een onderwerp te noemen waar hij zich de afgelopen week onledig mee had gehouden.

Niet dat hij zijn werk pietluttig vond, dat niet. Anderen zouden het misschien saai noemen, maar hij vond het juist een uitdaging om een dossier tot op de bodem uit te kammen. Soms peinsde hij dat hij politierechercheur of detective had moeten worden. Dat was avontuurlijker geweest, maar hij beklaagde zich niet.

Zodra hij klaar was met zijn rechtenstudie vond hij deze baan. Zijn ouders hadden hem zijn droom om hen op te volgen toen al uit het hoofd gepraat. Zekerheid was veel waard, zo hadden ze hem van jongs af aan ingeprent. Zij hadden een eigen zaak gehad, een delicatessenzaak aan de Baronielaan in Breda. Met weemoed herinnerde hij zich hoe hij in de namiddag wachtte tot de schaduwtakken van de eikeboom op de voorgevel verschenen. Vaak schoof hij dan het raam omhoog om zijn hand op de vensterbank te leggen en de zwarte strepen op zijn huid te zien. Als hij geduld had, wandelde er ook altijd wel een torretje over de plots opgeworpen barricade. Dan tilde hij zijn hand op om het eindeloos langs zijn vingers te laten kruipen terwijl hij de minscule pootjes bestudeerde.

Het huis boven de winkel was klein en de tuin stond altijd vol met dozen. Het was hem verboden daar te spelen. Dat gaf niets, de stoep was breed en er was genoeg te beleven op straat voor een jongen met verbeelding.

De komst van een supermarkt twee straten verder bracht zwarte kringen onder de ogen van zijn moeder. Toen de supermarkt later het assortiment uitbreidde met dure lekkernijen, verschenen er diepe groeven in zijn vaders wangen. Zich welbewust van de kwetsbaarheid van de vrije ondernemer hadden zijn ouders het toegejuicht dat hun enige zoon voor de overheid ging werken. En ach, het was niet zo slecht om nauwelijks verantwoordelijkheid te hebben. Zelden kwam hij moe thuis. Hij had geleerd te houden van de eindeloze lettertjes, van de geur van het zwart-wit gespikkelde synthetische tapijt waarmee het ministerie bekleed was, en van zijn kleine werkkamer, identiek aan alle andere op de gang ook al was hij afdelings-sous-chef.

Alleen op deze vrijdag van de maand popelde hij zozeer om weg te komen, dat telkens wanneer hij met een klap het stempel 'gezien' op een pagina liet neerkomen, er een bel van vrolijke lichtheid in hem opborrelde. Die dreun schepte orde. Hij zag hem als de scheiding tussen chaos en bewerkte materie, die daardoor beheersbaar werd. Vandaag bracht iedere bons hem dichter bij de avond.

Hij en zijn vrienden zouden, als ze uitgegrold waren, wellicht een nieuw platform zoeken voor hun kluchtig bijeenzijn bij de Chinees om de hoek, of volstaan met de snacks die Marie hun bracht. Eten was zeker geen prioriteit op deze avonden, nee, eten niet.

Een vlaag koude lucht van de opengaande deur streek langs Jean-Pierres onderbenen. Nieuwsgierig keerde hij zich om. Een lichte kramp trok door zijn onderbuik toen hij een magere man in een lange grijze jas zag binnenkomen. Hij draaide zich terug naar de tafel en worstelde met zijn kaakspieren om de glimlach onder zijn snor te bedwingen. Hij zag aan hun blikken dat de anderen Patrick ook gezien hadden. "Hmm, Romeo," gromde Charles, en rolde met zijn ogen. Alle vier barstten ze in bulderend lachen uit en hieven hun glazen. Hun adamsappels schoten gulzig op en neer om het binnenvloeiende bier in het juiste kanaal te leiden.

Jean-Pierre veegde het schuim van zijn snor met de rug van zijn hand en stak hem omhoog.

"Marie! Vijf!"

Marie knikte en zette even later de gevulde glazen op tafel. Ze kende Patrick goed en ze wist dat het vijfde glas voor hem was. Jean-Pierre voelde aan dat ze de man niet mocht, maar Marie was bovenal zakenvrouw.

***

 

Zodra Marie weer achter de bar stond, verscheen in Jean-Pierres ooghoek een mannelijke arm die een dienblad met vijf glaasjes jenever op tafel schoof. De persoon die ze als Patrick kenden had zijn jas niet uitgetrokken. De jenever hoorde bij hun ritueel, maar ook zonder dat had Jean-Pierre onmiddellijk geweten wie er in deze koelgrijze, duur ogende stof gehuld was.

Een hoofd met kortgeschoren haar zakte tot in zijn gezichtsveld. Patricks gelaat was wat pafferig. Teveel jenevertjes. De zaken gingen goed. Zijn gezicht had ook iets vluchtigs. Jean-Pierre wist niet zeker of hij dát zou herkennen als ze elkaar elders tegenkwamen.

"Patrick man, kom erbij," zei hij.

Zwijgend klonken ze hun glaasjes. Terwijl het gloeiende vocht zich een weg baande door vijf slokdarmen, naar vijf magen waar het zijn alcoholische warmte verspreidde, had Jean-Pierre het gevoel dat zelfs aan zijn tenen kleine vlammetjes likten. Wanneer Patrick verscheen, was het feest.

Vanavond leek hij gespannen. Hij bestelde meteen nog een rondje jenever en sloeg zijn glas achterover. De andere drie merkten het ook. Ze keken Patrick aan met een vraag in hun ogen. Jean-Pierre verwoordde hem.

"En?"

"Tja," zei Patrick, en zweeg.

Jean-Pierre voelde ongeduld opwellen.

"Nou?"

Patrick zuchtte slechts.

Een leegte ontstond iets onder Jean-Pierres maag. Het kon niet waar zijn dat de man niets had. Kijk die magere kop nou eens zuur zitten gluren. Als hij niks te bieden heeft, wat zoekt hij hier dan? Ons een beetje lekker maken voor niets. De leegte zat in zijn middenrif, reikte naar zijn hartstreek. Maar verwachting overstemde zijn boosheid. "Nou?" probeerde hij weer.

Patrick stond op, liep, nagekeken door het viertal, naar de bar, en kwam terug met één glaasje jenever. Jean-Pierre balde zijn vuisten, die op tafel lagen.

"Kom op man, zeg het nou!"

Patrick draaide het glaasje rond tussen zijn gemanicuurde vingers en tuurde ernaar. Toen hij opkeek twinkelden zijn ogen.

"Ik heb iets heel bijzonders," zei hij eindelijk.

De leegte midden in Jean-Pierre hield op met groeien. Zijn vrienden verschoven op hun stoel.

"Héél bijzonder," herhaalde Patrick. "Maar er kan er maar één de gelukkige zijn. Wie?" Hij hief het glaasje omhoog en keek Jean-Pierre strak aan. "Voor wie?"

Jean-Pierre voelde zijn keel dichtslibben. Hij kon niets meer zeggen, wilde ook niets zeggen, zeker niet de naam van een van de anderen, hij hoopte zo dat hij…

"Romeo," klonk het uit Peters mond.

"Ja, Romeo," vielen de andere twee bij.

"Voor Romeo," zeiden ze nog eens gedrieën.

Patrick zette het glaasje voor Jean-Pierre op tafel neer. "Voor Romeo," fluisterde hij.

"Weten jullie het zeker?" vroeg Jean-Pierre aarzelend. De vuist om zijn ingewanden ontspande zich toen hij drie knikkende hoofden zag. Een roes nam bezit van zijn lichaam. ''Rrrauww!" gromde hij en sloeg zich met zijn vuisten op de borst, terwijl de anderen hem lachend aankeken. Wat een fantastische vrienden had hij, hij moest hen trakteren, hun opoffering goed maken. "Marie! Vijf!" riep hij met een jubelstem.

Ze hieven het glas en leegden het in één teug.

"Marie!"

Hij wilde hen nog meer rondjes aanbieden om deze dankbare warmte in hem voort te laten duren, maar Patrick stond op. "We moeten gaan."

Jean-Pierre hees zich overeind. Het lichte tollen van zijn hoofd versterkte zijn gevoel van gelukzaligheid. Weer gromde hij. Patrick was al op weg naar de deur en uit zijn ooghoek zag Jean-Pierre de koele blik van Marie, terwijl zijn vrienden bij wijze van afscheid zachtjes jankten: "O, Romeo!"

Met één arm in zijn jas liep hij van de tafel weg, maar Charles hield hem tegen. Hij ging staan en trok een quasi-plechtig gezicht. "Romeo," zei hij, terwijl de andere twee verwachtingsvol naar hem opkeken, "een man wordt maar een keer veertig. Gefeliciteerd. Neem het ervan!"

Verward keek Jean-Pierre hem aan, maar voor hij iets kon vragen, gaf Peter hem een duw. "Ga nou! En geniet ook voor ons. We willen alleen wel een uitvoerig verslag."

Aarzelend liep Jean-Pierre weg. Voor hij de deur achter zich dicht liet vallen, keek hij nog even om. Zijn vrienden hieven het glas en knikten hem bemoedigend toe. Ze waren nog geweldiger dan hij gedacht had. Een verjaardagscadeau? Wow!

***

 

Buiten sloeg de regen in zijn gezicht. Patrick kwam aangereden en opende het achterste portier voor hem. Wijdbeens, en met de armen gespreid op de zachtleren leuning, nam hij plaats. Hij hield ervan zich te laten rijden. Zeker door Patrick. Tot nu toe had hij nooit alleen op de achterbank van de luxueuze jeep gezeten, maar altijd met een of twee van zijn vrienden wier warme lijven net zo opgewonden waren als hij. Dit was echt bijzonder.

"Waar gaan we heen, Patrick?"

Ze reden de bekende route naar de rand van de stad. De vraag hoorde bij het ritueel. Patrick zou een verhaaltje verzinnen om zijn opwinding aan te wakkeren. De laatste keer was Jean-Pierre een slaaf geweest die naar het slot van gravin Anita gevoerd werd. Hij kon zijn vrijheid terugkrijgen als hij erin slaagde de onverzadigbare adelijke dame te bevredigen. Mislukking zou bestraft worden met zweepslagen.

De gedachte aan het striemende leer op zijn blote rug en billen had hem zo geil gemaakt dat hij zich als een wolf had gestort op Anita, een zwartharige, enorme vrouw. Ze had een zweep in haar handen gehad die ze op zijn billen liet neerkomen. Zachtjes: Patrick had profs in dienst die wisten dat ze geen sporen mochten achterlaten voor moeder-de-vrouw die thuis in bed lag te wachten in haar katoenen piyama. Verzaligd had hij gegraaid in haar weelderige buikvlees, gezogen aan haar borsten die groter leken dan zijn eigen hoofd, zijn roede tussen haar trillende dijen gedreven voor hij met een explosie onder zijn schedel terug op het bed gevallen was.

Een andere keer had Patrick hem verteld dat hij een jonge prinses moest redden van een oude, kwijlende kasteelheer die haar opgesloten had en op het punt stond haar maagdelijkheid te nemen. Deze prinses Sheila bleek een bloedmooi ding te zijn met rode haren, een witte huid, vlakke buik en geboeide handen. Hij had geaarzeld of hij de touwen los zou maken. Ze had zich aan zijn borst geklampt en zachte kreetjes geslaakt _hij meende daaruit op te maken dat ze Russisch was_ toen hij zijn beloning eiste voor zijn ridderlijk optreden.

Aan de keer dat hij de postbode was die een pakketje bezorgde bij een eenzaam huisvrouwtje dacht hij met gemengde gevoelens terug. De vrouw, in ochtendjas en compleet met rollers in haar haar, had zo op Edith geleken dat hij in eerste instantie teruggedeinsd was. Het was de outfit geweest. Haar duster was van dat zelfde rekbare fluweel dat Edith droeg en waar hij zo van gruwde. Het vrouwtje had bij nader inzien absoluut niets weg van Edith. Onder dat fluwelen geval had ze een paar prachtige, in netkousen gestoken benen, een glimmend zwart jarretelletje en een bh die haar tepels vrijliet, kledingstukken die Edith van haar levensdagen niet aan zou trekken.

Edith. Toen hij haar zestien jaar geleden leerde kennen, had hij haar buitensporige verlegenheid heel aantrekkelijk gevonden. Ondanks, of misschien juist door haar bril die haar ogen omlijstte, was ze mooi, en de enige vrouw op wie hij had gewacht. Hij was nooit ondersteboven geweest van verliefdheid. Hij kende de magische kracht van dat zoete verlangen niet, nee, eerlijk gezegd vond hij de zaken van het hart iets voor pubermeisjes. Toch had Edith hem geraakt. Ze was als een cijferslot geweest, waar hij geduldig aan peuterde. Het had lang geduurd, maar toen ze voor het eerst de zinnenstreling van haar vlees aan hem schonk, had hij zich meester van de wereld gevoeld. Niet alleen omdat hij haar eerste was, al vleide dat hem. Hij geloofde dat hij de code had gevonden die hem toegang verschafte tot haar wezen. Onder zijn welwillige sturing zou ze zeker haar stijve omhulsel afwerpen, ontpoppen als een vlinder.

Dankzij zijn aanhoudende natuur had hij altijd gekregen wat hij wilde, en niet alleen van zijn ouders. Vroeger op de middelbare school liepen sommige meisjes rond met 'als een meisje nee zegt, bedoelt ze nee' op hun T-shirt. Dat was te vooruitstrevend voor het Breda van die tijd: geen jongen geloofde het. Er waren altijd meisjes die uiteindelijk toch ja zeiden.

Ook Edith, al had ze hem laten wachten tot nadat hij haar hand gevraagd had. In het begin van hun huwelijk was hij geamuseerd door haar preutsheid. Zodra ze 's avonds haar bril afzette, moest het licht uit, alsof ze iets clandestiens deden. Lang was hij blijven hopen dat er diep in haar een wellustig wezen verscholen zat, dat hij kon bevrijden. Tegen de tijd dat hij besefte dat ze hem nooit toegang tot haar ziel zou geven, zat hij vastgeklonken in een gezin met twee kinderen. Tot zijn spijt had hij moeten erkennen dat een artikel in een van Ediths blaadjes klopte: vrouwen die alleen van seks konden genieten als die de voortplanting diende, bestonden echt. En hij was met een van hen getrouwd.

Inmiddels wist hij ook dat het geen toeval was geweest dat het tijdschrift net op die bladzijde open had gelegen op tafel. Zo communiceerde Edith. Zelden maakte ze rechtstreeks kenbaar hoe ze ergens over dacht.

Voor Jean-Pierre was seks een genotmiddel dat hij tot zich wilde nemen als een goed glas wijn. Het nuttigen ervan beschouwde hij niet meer als ontrouw. Een slippertje met een secretaresse was een misstap geweest, omdat zij ook niet-seksuele activiteiten en beloften wenste. Hij mocht haar graag, maar een emotionele verbintenis was te ingewikkeld. Onder geen beding wilde hij zijn huwelijk in gevaar brengen. De schande van een scheiding zou hij zijn ouders, ook al waren ze allebei dood, nooit aan willen doen, nog los van de financiële consequenties. Het was ook niet nodig. Op de seks na, had hij het best met Edith.

Na de secretaresse had hij Charles ontmoet, die hem al gauw binnenleidde in de schemerwereld van betaald plezier. Het was voor hem inmiddels als naar een restaurant gaan. Iedere keer verraste de chef, Patrick, hem met een nieuw gerecht. Uit het vuur in zijn liezen rees hij telkens op als een ander man. Vanavond was hij geen grijze bureaumuis, geen brave huisvader, maar potent, in de ruimste zin van het woord.

"En, Patrick?" vroeg hij.

Patrick stopte aan de kant van de weg en draaide zich om naar zijn passagier.

"Sigaretje?"

Jean-Pierre voelde een wolk over zijn kaken trekken. Roken was de enige zonde die hij niet beging, zo verkondigde hij vaak. Het stelde hem teleur dat Patrick zich dat vanavond niet herinnerde. Hij beeldde zich in dat hij meer dan een anonieme klant was voor deze man met zijn dure kleren en nette manieren, die, omdat hij zelf wel rookte, altijd naar as stonk.

Patrick herstelde zijn fout snel.

"Misschien ben je inmiddels gevallen voor deze laatste verleiding der zinnen, birthday boy?" opperde hij glimlachend.