Jessica J.J. Lutz
Jessica J.J. Lutz

News

My Dutch novel 'De Nederlandse Bruid' (A Bride from Holland) came out in November 2014 and sold out within two months. 

Turkse Soap

 

Het dorp heeft mythische kwaliteiten in de Turkse geest. Het is de plaats van de goede oude tijd waar mensen elkaar altijd helpen, het is daar waar de familieband een warme omhelzing vormt. Boze moderne krachten hebben miljoenen gedwongen dit aards paradijs te verlaten, zo lijkt het wel wanneer je met migranten naar de stad spreekt. In Istanbul ontmoet ik vaak mensen die met hun hele ziel terugverlangen naar hun dorp, maar blijven omdat ze geld moeten verdienen.

Toen mijn man en ik land kochten aan de rand van een dorp aan de Turkse zuidkust, was ik dan ook erg benieuwd naar hoe het zou zijn om het dorp te proeven en er misschien wel deel van uit te gaan maken. Omdat wij op het punt stonden om een langgekoesterde droom te verwezenlijken: het bouwen van een huis, waren we blind voor de tekortkomingen van ons lapje aarde.

Ons land ligt op een helling die aanzienlijk steiler is dan we aanvankelijk gedacht hadden. Het bestaat uit zware kleigrond die vol zit met grote stenen. Het is uitgestrekt en te woest om zonder hulp te bedwingen. Die was gelukkig voorhanden. Natuurlijk, in een dorp. De loco-hoofdman wees ons zijn oom toe als tuinman.

Ali was een schriel ventje van 50. Hij had sinds 5 jaar een pensioentje na 25 jaar in de plantsoenendienst van de stad Antalya gewerkt te hebben, maar hij liep er in lorren bij en had geen geld om de buitenmuren van zijn piepkleine huisje te laten stucken. Zijn kraaloogjes glommen dan ook bij het vooruitzicht om deze buitenlanders met een ongetwijfeld plompe beurs, heel behulpzaam een poot uit te draaien. Ik ken die blik na bijna twee decennia hier gewoond te hebben.

Daartegen had ik me dan ook gewapend. Onze gesprekken over het temmen van het land voerde ik derhalve op afgemeten, zakelijke toon; af en toe theedrinken was prima, maar telkens wanneer Ali zijn derde sigaretje opstak, maande ik hem vriendelijk doch beslist tot de arbeid.

‘Ik zie hoe je met je kind omgaat,’ zei hij op een dag, wijzend op mijn 2-jarige dochtertje die vol levenslust rondbuitelde in de wildernis. Meestal wist ze de vlijmscherpe distels te ontwijken die overal leken te staan en de talloze schropioenen lieten haar met rust, maar regelmatig kwam ze huilend bij me aan wanneer ze met haar handjes in de scherpe steenslag was gevallen terwijl ze als een babyklipgeit de heuvel op en af dartelde. ‘Ik heb een kleinzoon van 7 maanden,’ vervolgde Ali. ‘Telkens wanneer hij huilt, slaat mijn schoondochter hem. Zou jij eens met haar willen praten?’

Slik.

Bij ieder slokje thee in de maanden die volgden, vertelde Ali een stukje van hun verhaal. Zijn 15-jarige zoon had een meisje zwanger gemaakt. Zij was 13. Ali en zijn vrouw hadden aangedrongen op een abortus, maar de moeder van het meisje was daar faliekant tegen. “Zij zijn nog armer dan wij,” zuchtte hij. “Haar moeder vond best dat haar oudste dochter op deze manier het huis uit zou gaan. Zo had ze een mond minder te voeden.” Kleine Banu trok zodoende met haar dikke buik in bij Ali en zijn gezin, in een huisje van 50m2. Daar zaten ze dan met z’n tweeen en hun baby op een kamertje van 3x3. Het huis was te klein voor hun opvlammende ruzies. Toch trouwden ze zodra de wet dat toestond.

“Vind je het goed als mijn zoon me komt helpen?” vroeg Ali op een dag. “Het werk is zwaar en hij is jong en sterk.” Dat was waar, maar ik begreep ook wel dat het er vooral om ging dat de jonge Mehmet wat geld zou inbrengen. Hij was zijn baantje als barman in een strandtentje kwijtgeraakt na een klant een pak rammel gegeven te hebben. De man had in zijn ogen een vrouwelijke klant lastiggevallen. En dus kwam Mehmet ook werken. Zo af en toe, want eigenlijk vond hij dat hij niet gemaakt was voor het zware boerenwerk. Wel voor schieten, dat kon hij goed. En dus kreeg hij, toen hij in dienst moest, een opleiding tot commando. Als sluipschutter moest hij in het oosten vechten tegen de Koerdische PKK.

Ik zag hoe Ali opgevreten werd door angst. Een paar keer per dag belde hij zijn zoon op zijn mobieltje, gewoon om even te horen dat hij nog leefde. Hij stuurde voortdurend geld naar Mehmet om sigaretten van te kopen, maar vooral telefoonkaarten, zodat hij zijn vader kon bellen.

“Is het wat als Banu je komt helpen in het huishouden?” vroeg Ali. Zijn telefoonrekeningen waren hoog en, ach, ik kon best …

 

Het volledige verhaal kunt u lezen in 'Te Gast in Turkije', Uitgeverij Informatie Verre Reizen 2009